• English
  • Language

    • Nederlands
    • English

Gladys Zeevaarders

* 1993, NL
In de installaties van Gladys Zeevaarders ontstaan nieuwe vormen en landschappelijke taferelen. Deze doen vermoeden dat ze hun gedaante kregen buiten menselijke controle om. De kijker struikelt over fictieve ruïnes die ogenblikkelijk verwarring veroorzaken. Beginnend vanuit 'het niets' wordt Zeevaarders gedreven door een proces waarin natuur, constructie en deconstructie elkaar ontmoeten. Gaandeweg verkennen deze processen elkaar waardoor de waarneming van de kijker wordt veranderd. Ongeziene relaties ontrafelen zich langzaam naar mate je langer door Zeevaarders werk wandelt.
Een paradijsvogel in een tuin vol mussen

Maagdelijk wit is mijn achtertuin waar kerstboom, twee IKEA banken en de Toren van Babel een intiem kleine tuin delen.

Iedere morgen open ik mijn woonkamer gordijnen en bewonder ik het uit noodzaak gevormde stilleven.

Verwonderd kijk ik naar de bank met daarop het wit verspreide poeder dat omhelsd wordt door de ochtendmist.

Achteloos hebben we jullie hier neergelegd, soms gesmeten, enkel vanwege het feit dat jullie niet meer waardevol waren.

Want een bank met loslatende voeten bleek hoogst ongemakkelijk wanneer die onze lichamen niet langer van de grond wilde tillen.

Ook het gevoel van prikkende dennen naalden in mijn schone sokken leek na twee weken haar magie verloren te hebben.

Zakken takken zorgden voor uiteenspattende rode ballen, die niet meer feestelijk pronkten met hun stralende schoonheid maar stukgeslagen een positie op de grond verkozen.

Verrast en vol onbegrip, door ongewilde veranderingen die onze spullen door maakten. Bleef mijn starende blik hangen op de wit gevulde muur met schilderijen.

Zouden zij net zo makkelijk ervoor kunnen kiezen hun esthetische kracht te verliezen?

Dan zouden we genoodzaakt zijn ook van hen afscheid te nemen, er is immers genoeg plek voor ze in onze idyllisch samengestelde tuin.
Die steeds meer overeenkomsten krijgt met de huidige woonsituatie van onze buren.

Het opnieuw creëren van plaats zorgde voor een gevoel dat leek op vervreemding.
Een afstandelijkheid tegenover het bekende, vertrouwde.
Het is een snakkend gemis naar onze dingen die we ten ruste hebben gelegd op de met mos begroeide grindtegels.

Omringd door gele muren met witte vierkanten waarvan het meest kenmerkend de scheef geslagen nagels zijn.
Probeer ik me voor te stellen hoe het geweest had moeten zijn uitkijkend over ons.
Hebben ze het gevoeld en oogluikend toegelaten?
Een protest bleek onvoldoende overtuiging te hebben wanneer ik mijn longen vulde met rook en daardoor jou intens witte kleur veranderde in bruinig geel.

Toch benijd ik jullie plek daar buiten steeds meer.
Het doet me denken aan de onverzadigbaarheid die rusteloos woekert door onze dagen, mijn dagen.
Echter deze witte morgen is het zicht van jullie toevallig gevormde rangschikking, genoeg om te verlangen naar een moment met jullie buiten in de koude lucht.

Wellicht is het uitermate romantisch om te denken dat onze gebruiksvoorwerpen een vorm van beleving hebben.
Toch vind ik de gedachte uitermate spannend.

Misschien durf ik me zelfs de vraag te stellen of de ooit zo geliefde berg niet liever een groeve was geweest.
Want wie wil nu als berg zijn dagen slijten?
Ik zou veel liever een esthetisch gat zijn dat al haar schatten tentoonstelt en erom geliefd word.